Ga direct naar de inhoud.

5 manieren waarop een bestuurder aansprakelijk kan zijn

Een groot voordeel van het oprichten van een besloten vennootschap (BV) is dat u in beginsel niet in privé voor zakelijke schulden kan worden aangesproken. Een BV is een rechtspersoon met een eigen vermogen en aansprakelijkheid. Betekent dit dat de bestuurder dan nooit voor schulden van de BV (persoonlijk) aansprakelijk kan worden gesteld? Nee, zeker niet. Wanneer een bestuur(der) de wettelijke verplichtingen niet nakomt of er “een potje van maakt”, dan kan hij wel degelijk – ook in privé – worden aangesproken. Let op: dit geldt ook als u niet officieel de bestuurder bent, maar wel feitelijk als bestuurder handelt.

In deze column bespreken wij de gevallen waarin de bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan zijn.  

Interne aansprakelijkheid

De bestuurder is tegenover de BV verplicht om zijn taak “naar behoren” uit te voeren. Dat is natuurlijk een zeer algemene omschrijving waarover veel is geprocedeerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt het criterium dat van interne aansprakelijkheid sprake is bij “ernstig verwijtbare onbehoorlijke taakvervulling”. Ook dat kan van alles zijn en hangt steeds af van alle omstandigheden van het geval. Denk daarbij aan de taakverdeling van het bestuur, de aard van de activiteiten van de BV of wat er in de statuten van de BV aan verplichtingen en taken zijn opgenomen. De bestuurder kan daarnaast aansprakelijkheid ontlopen indien hij aantoont dat zijn onbehoorlijke taakvervulling niet ernstig verwijtbaar is.

Dat het nemen van risico inherent is aan het ondernemerschap, dat spreekt voor zich. Het kan (en mag soms) ook fout gaan. Van persoonlijke aansprakelijkheid spreken we echter wanneer het genomen risico onverantwoord was, bijvoorbeeld omdat de bestuurder wist dat de BV de aangegane verplichting niet kon nakomen.

Externe aansprakelijkheid

Naast de interne aansprakelijkheid bestaat ook de externe aansprakelijkheid. Bij deze vorm van bestuurdersaansprakelijkheid gaat het om de verhouding ten opzichte van derden (schuldeisers). Daarin kunnen zich twee situaties voordoen:

  1. de curator spreekt de bestuurder(s) aan namens de faillissementsboedel (de gezamenlijke schuldeisers) vanwege handelen dat in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement is verricht. De bestuurders zijn dan persoonlijk aansprakelijk in het geval van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. De wet is de curator daarbij tegemoetgekomen. Zo wordt onweerlegbaar vermoed dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur indien niet is voldaan aan de wettelijke administratieplicht en/of de plicht om de jaarrekening van de BV tijdig te deponeren.

    De bestuurder wordt in dit geval door de curator aangesproken voor het “boedeltekort”. Dit is het tekort dat ontstaat om alle schuldeisers na de vereffening van de BV volledig te voldoen.

  2. Individuele schuldeisers kunnen de bestuurder van een BV ook zelf aansprakelijk houden. De bestuurder moet dan onrechtmatig tegenover de schuldeiser hebben gehandeld. Dat kan op verschillende manieren:

    a. De bestuurder gaat een verplichting namens de BV aan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de BV de verplichting niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden (de Beklamel-norm). In dit geval moet de bestuurder aantonen dat hem hiervan geen ernstig persoonlijk verwijt valt te maken.

    b. Wanneer de bestuurder ervoor zorgt of laat gebeuren dat de BV haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Ook in dit geval moet hem een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Bijvoorbeeld wanneer de bestuurder de BV “leeghaalt” zodat voor de schuldeisers niets meer te verhalen valt en dus het verhaalt frustreert.

    c. Wanneer de bestuurder schuldeiser A niet voldoet, maar schuldeiser B (zonder goede reden) wel. Dit noemen we selectieve (non)betaling. De bestuurder moet dan aantonen dat in de gegeven omstandigheden de selectieve betaling gerechtvaardigd  kon worden.

Aansprakelijkheid bij de oprichting

De wet biedt een oprichter van een BV de mogelijkheid om kortere of langere tijd vóór de oprichting van de BV te handelen onder de naam BV in oprichting (BV i.o.). Dit betekent dat op voorhand al overeenkomsten voor de BV gesloten kunnen worden. De BV is hier zelf nog niet aan gebonden, maar moet deze handelingen na haar oprichting “bekrachtigen”. De oprichter is echter tot aan de bekrachtiging persoonlijk aansprakelijk alsof hij zelf partij is bij de overeenkomst. Na de bekrachtiging vervalt in beginsel deze aansprakelijk.

In beginsel dus. Want wanneer de BV haar (bekrachtigde) verplichtingen niet nakomt en de oprichter wist of had redelijkerwijs moeten weten dat de BV deze verplichtingen ook niet kon nakomen, dan is de oprichter hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van de schuldeiser. De wet geeft de schuldeisers zelfs nog een bewijsvermoeden. Indien de BV al binnen één jaar na haar oprichting failliet gaat, dan wordt vermoed dat de oprichter al wist dat de BV de verplichting niet zou nakomen. De oprichter kan dit vermoeden ontkrachten met tegenbewijs.

Hoewel de oprichter niet bestuurder hoeft te worden, maar dit wel vaak het geval is, past deze aansprakelijkheidsvorm zeker in dit rijtje.

Aansprakelijkheid deponeren inschrijving

Bij de oprichting van de rechtspersoon is een bestuurder verplicht om bepaalde stukken van de BV op het kantoor van het Handelsregister neer te leggen. De wet bepaalt dat de bestuurder tot dit moment hoofdelijk aansprakelijk is voor alle rechtshandelingen waardoor de BV wordt gebonden. Stel dat een bestuurder vóór deze inschrijving een lening met een bank heeft afgesloten, dan is hij hiervoor hoofdelijk aansprakelijk. Een enorm risico dus.

In de praktijk komt deze vorm van bestuurdersaansprakelijkheid weinig voor, omdat in de meeste gevallen dat notaris zorgt voor de toezending van de stukken aan het Handelsregister. Maar houd deze verplichting goed in de gaten.

Fiscale bestuurdersaansprakelijkheid

Ook het onbetaald laten van belastingschulden en premies kan leiden tot (fiscale) bestuurdersaansprakelijkheid indien aannemelijk is dat het uitblijven van de betaling te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur door de bestuurder in de drie voorafgaande jaren. De bewijslast ligt bij de Belastingdienst.

Maar let goed op: de wet (artikel 19 AWR) schrijft voor dat de bestuurder aan de Belastingdienst onmiddellijk moet melden dat de BV in betalingsonmacht verkeert. Doet de bestuurder dit niet, dan wordt vermoed dat het niet betalen van de belastingen is veroorzaakt door onbehoorlijk bestuur. De bestuurder moet dan aannemelijk maken dat de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is en dat er geen sprake is van onbehoorlijk bestuur. De bewijslast ligt in dat geval anders.

Zorg ervoor dat u als bestuurder altijd (correct) melding maakt van betalingsonmacht. Dit verkleint de kans op een aansprakelijkstelling van de Belastingdienst.

Westland Partners is uw partner

Wilt u van een specialist weten of er sprake is van bestuurdersaansprakelijk? Of dat een bestuurder daadwerkelijk in privé aansprakelijk kan worden gehouden? Het aansprakelijk stellen van een bestuurder lijkt wellicht makkelijker dan het in werkelijkheid is. Bestuurdersaansprakelijkheidsprocedures vereisen in de praktijk vaak uitvoerige stellingnames en bewijsopdrachten. De advocaten van Westland Partners hebben ruime ervaring met dit soort procedures.

Neemt u gerust vrijblijvend contact met ons op.

« terug

mr. D.T. (Diana)  Mensinga

Columns van mr. D.T. (Diana) Mensinga


Deel deze pagina op:

Ontvang nieuws en informatie over regels en wetgeving.