Een vordering wegens geldlening kan verjaren, ook in familieverband!

dinsdag 14 juni 2016

Casus:

X verstrekt op 13 maart 1992 een geldlening van 100.000,00 aan Y.
Volgens de leningsovereenkomst is de lening te allen tijde opeisbaar met een opzegtermijn van 6 maanden.
Y stelt dat de vordering in 2012 is verjaard.

Op deze geldlening is artikel 3:307 BW van toepassing.

Dit artikel stelt ondermeer dat de rechtsvordering tot nakoming (terugbetaling van het geleende bedrag) verjaart door verloop van 20 jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de schuldenaar, op zijn vroegst mogelijk was.

X heeft nooit terugbetaling gevorderd.

Rekening houdend met de opzegtermijn van 6 maanden had X de lening op zijn vroegst op 13 september 1992 kunnen opeisen, zodat de vordering tot terugbetaling op 13 september 2012 is verjaard.

Dit geldt eveneens voor geldleningen die zijn verstrekt in familieverband
(Rb. Noord-Nederland 1 juni 2016, nr C/17/143833 / HA ZA 15.266 (RBNNE:2016:2689).

Wat zou dit tot gevolg kunnen hebben?

Voorbeeld:
Ouders verstrekken een geldlening aan één van hun kinderen.
Ruim 20 jaar later overlijdt één van hen.
Terugbetaling is nooit gevorderd en de kinderen leven met elkaar in onmin.

Het kind aan wie de geldlening is verstrekt heeft geen zin om de geldlening terug te betalen en beroept zich met succes op verjaring, met als resultaat dat hij zichzelf bevoordeelt ten opzichte van diens broers en zusters. 

Om deze situatie voor te zijn is het zaak om:

  • Afstand te laten doen van verjaring; en/of
  • De verjaring te stuiten; en/of
  • In Uw testament daarvoor een regeling op te nemen.

Terug naar overzicht